‘Hij vervalste zijn persoonsbewijs zo knullig dat hij wel moest onderduiken’
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/21153754/100726WEE_2035004011_ouders2HP.jpg)
Voor deze rubriek sturen lezers een foto in van hun ouders. Deze keer stuurde Ton van Vliet (1953) een foto van zijn moeder Maria Elisabeth Koudstaal (1922-2015) en vader Jan van Vliet (1924-2013).
„Mijn ouders kregen kort na de oorlog verkering in Ridderkerk. Jan, nummer acht uit een gezin van veertien, was de zoon van de eigenaar van een scheepswerf aldaar en groeide op in een bevindelijk gereformeerd milieu. Zijn vader was naast directeur van de werf wethouder en loco-burgemeester voor de ARP. Hij overleed in 1942, waarna de moeder van Jan alleen de zorg voor het gezin had. De ouders van Miep – haar vader was ook werkzaam in de scheepsbouw – waren uit Rotterdam naar het naastgelegen Slikkerveer gevlucht uit angst voor de aanhoudende bombardementen. Jan wilde geen gehoor geven aan een oproep voor de Arbeidsdienst. Hij had daarom in zijn persoonsbewijs zijn geboortedatum veranderd, echter zo knullig dat het onbruikbaar was geworden zodat hij de laatste oorlogsjaren gedwongen was onder te duiken. Na de oorlog wilde hij uit idealistische motieven als vrijwilliger naar Indië, maar werd tot zijn teleurstelling afgekeurd. Zonder echt gemotiveerd te zijn ging hij toen maar rechten studeren aan de VU en verloofde zich in december 1947 met Miep; de foto is toen gemaakt op het strand van Katwijk aan Zee. Na zijn afstuderen trouwden zij in 1951. Jan kon in 1952 een advocatenpraktijk in Amersfoort overnemen waarvan de vennoten uit angst voor de komst van de Russen waren geëmigreerd. Miep werkte mee in de administratie, voor secretariële ondersteuning was aanvankelijk geen geld beschikbaar. De praktijk liep eerst moeizaam – pro deo was in die tijd echt pro deo – maar werd later, in de jaren zestig en zeventig, ook door invoering van de Wet op de Rechtsbijstand, profijtelijk zodat mijn broer (1955) en ik een in alle opzichten onbezorgde jeugd hebben gehad. Mede vanwege gezondheidsproblemen moest Jan eind jaren tachtig de praktijk neerleggen. Hij bleef maatschappelijk zeer betrokken, vooral binnen de gereformeerde kerk, maar hij kon toch zijn draai niet goed meer vinden. Beiden hebben nog veel plezier kunnen beleven aan hun kleinzoon. Tragisch is dat zij allebei dement geworden zijn en de laatste jaren van hun leven in een verpleeghuis hebben moeten doorbrengen. Een beter lot was hun gegund geweest.”
This is a summary. Read the full article at the original source.
Read full article at nrc
